Peteris Vasks' Cantabile

Peteris Vasks werd in 1946 in Letland geboren. Hij studeerde contrabas, aanvankelijk in Riga en later in Vilnius. Vasks is ook als contrabassist werkzaam geweest. Zijn studie compositie volgde van 1973 tot 1978 in Riga.

In eerste instantie werd hij in zijn componeren sterk beïnvloed door de Poolse avantgarde van de jaren ‘60 en waren componisten als Lutoslawski en Penderecki zijn voorbeeld. In de loop van de jaren ‘70 heeft Vasks zijn eigen stijl ontwikkeld, een eenvoudige, diatonische stijl. Sindsdien beschouwt
Vasks Pärt en Gorecki als geestverwanten. Evenals deze componisten zet Vasks zijn moedertaal, het Lets, om in muziek. Zijn werken zijn ‘boodschappen’ , waarbij de muziek samengaat met een idee, een
moraal, een emotioneel referentiekader. Sterk aanwezig in het werk van Vasks zijn de ideeën geloof, liefde en hoop.

Sinds 1990 zijn de composities van Vasks beschikbaar en bekend geworden in het Westen. Binnen korte tijd zijn ze erg populair geworden. Ook voor trouwe bezoekers van de concerten van Zoroaster zal Vasks geen onbekende zijn.

Peteris VasksHet ‘Cantabile’, stamt uit 1979 en is het eerste werk in Vasks’ nieuwe stijl. De titel geeft aan dat Vasks gevonden heeft wat hij wil: het cantabile, een zingende, melodische lijn, is sindsdien kenmerkend voor al zijn werken. Door het werk zo te noemen markeert hij het begin van een nieuwe periode. Het Cantabile is geschreven in wat Vasks zelf ‘witte diatoniek’ noemt: hij gebruikt alleen de zogenaamde witte toetsen van de piano. Het werk kent een opbouw van een eenvoudige melodie naar een gepassioneerd, dicht geweven klankveld en sterft uiteindelijk uit. Kenmerkend voor Vasks, en in dit stuk regelmatig toegepast, zijn delen waarin de maatsoort wegvalt en iedere speler zijn eigen lijn speelt. Vaak is dit een kort motief, dat gedurende een bepaalde tijd (aangegeven in seconden) herhaald moet worden. Je herkent dit aan de chaos die lijkt te ontstaan in het orkest (terwijl het in
werkelijkheid volledig geregisseerd is), en aan de dirigent die niet meer de maat slaat, maar alle spelers individueel aangeeft.

Vasks maakt gebruik van het verschil tussen veel divisi’s (bijna iedereen heeft een eigen partij) en unisono (iedereen speelt hetzelfde). Na het eerste levert het tweede een gevoel van verademing op. Ook het einde van het stuk werkt op deze manier: individuele motiefjes gaan een voor een over in een lange noot en uiteindelijk komt alles weer tot rust.

Geschreven door gastblogster Merel Dercksen

Lees ook:Fratres
Lees ook:Strijkorkest Zoroaster
Lees ook:10 jaar Compositiestage met Wim Henderickx
Lees ook:Walter Piston – Capriccio voor harp en orkest
Lees ook:Sofia Asgatovna Goebaidoelina

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.