Walter Piston – Capriccio voor harp en orkest

Walter Piston (1894-1976) probeerde elk instrument uit dat hij in zijn handen kon krijgen. Hij wilde er op zijn minst een paar eenvoudige liedjes uit kunnen halen. Vooral tijdens WO1, toen hij als muzikant
bij de Amerikaanse marine diende, heeft hij zijn kennis van verschillende instrumenten sterk vergroot. Deze kennis kwam hem heel goed van pas tijdens zijn studie compositie aan Harvard.

Om hier terecht te komen maakte deze derdegeneratie-Italiaan met zeemansbloed in zijn aderen een flinke omweg: van een technische high schoolopleiding via architecturaal tekenen naar het echt artistieke schilderen en uiteindelijk definitief de muziek.

Met zijn afstuderen aan Harvard won Piston een beurs, die hij gebruikte om in Parijs te gaan studeren. Zijn docenten compositie waren Paul Dukas en Nadia Boulanger. Hiermee plaatste Piston zich in een
Amerikaanse traditie: ook componisten als Aaron Copland en Samuel Barber studeerden bij de laatste. Piston werd gegrepen door het Franse neoclassicisme – hij was een bewonderaar van onder anderen
Fauré en Ravel. Dit is terug te horen in het Capriccio: het is een licht werk, met een klank die klassiek aandoet. Ook het gebruik van de harp als solo-instrument kent Franse wortels. Van de opkomende jazz zijn eveneens sporen in het werk van Piston terug te vinden – én in dat van zijn leerlingen. Tot die leerlingen behoren grote namen als Elliott Carter en Leonard Bernstein, maar ook Irving Fine.

Na zijn studie in Parijs keerde Piston terug naar Harvard, waar hij tot zijn pensioen in 1960 doceerde. Behalve de hierboven genoemde componisten heeft hij ook een aantal muziektheoretische standaardwerken afgeleverd. Hiermee heeft hij de Amerikaanse traditie waarin hij wortelde doorgegeven en zijn status van groot musicus bevestigd.

Het Capriccio is dus een werk met een neoklassieke klank, maar met neoromantische invloeden. Om te beginnen is een ‘capriccio’ een karakterstuk, een fenomeen dat in de 19e eeuw een grote bloei doormaakte. Andere soorten karakterstukken zijn bijvoorbeeld nocturne, bagatelle en humoresque. Het Capriccio van Piston is een eendelig werk en duurt maar 10 minuten. Hoewel de solist flink wat te doen heeft (probeer vooral ook te kijken en niet alleen te luisteren!), is het geen pretentieus stuk. Behalve dat de vorm teruggrijpt op de romantiek, doet ook de klank dat. Op meerdere plaatsen hoor je de typische volle strijkersklank, soms zelfs unisono om het nog duidelijker over te brengen. De toonsoort is verwijd, uitgebreid tonaal: niet atonaal, maar toch komen er wel erg veel noten in voor die niet in C majeur (in dit geval) thuishoren. Dit gebeurt wel op een manier die volkomen logisch klinkt. Er zijn gewoon wat tonen toegevoegd, maar er wordt nog wel gedacht op basis van klassieke toonladders. Ook dit is een ontwikkeling die in de laatromantiek al was ingezet. Piston zou nooit tot de grote Amerikaanse componisten van de 20e eeuw gerekend worden als hij alleen maar oude kenmerken tot een stukje had samengevoegd. In het Capriccio laat hij de strijkers verschillende technieken gebruiken om andere klankkleuren tevoorschijn te toveren. En let ook op de laatste paar maten, waar glissandi in zitten zoals die alleen op een harp te maken zijn. Maar vooral: is het een leuk stuk, dat de tent uit swingt.

Geschreven door gastblogster Merel Dercksen

Lees ook:‘Modern klassiek klinkt als ijspaleis’
Lees ook:"Jaloers ben ik op Bach en Bruckner"
Lees ook:Toonzetters Prijs voor Robin de Raaff
Lees ook:10 jaar Compositiestage met Wim Henderickx
Lees ook:Arvo Pärt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.