De lach van Renske Vrolijk

Renske Vrolijk “In m’n hoofd kan ik enorme luchtkastelen bouwen” aldus componiste Renske Vrolijk (1965). Renske is een enthousiast zweefvlieger en heeft een fascinatie voor zeppelins. Ze praat over deze interesses en hoe ze in haar werk doorklinken met interviewster Tia Schutrups.

“Van kinds af aan heb ik een fascinatie voor de luchtvaart. In mijn familie kwam dat verder niet voor. Die snapte er niets van dat ik even naar buiten moest als ik tijdens het eten een vliegtuig hoorde overkomen – wij woonden niet zover van Schiphol – omdat ik iets hoorde wat ik nog niet kende.

Ik wilde weten wat er overvloog, want ik koesterde een fascinatie voor vliegen en vliegtuigen, en wilde zelf ook vliegen. Dat wist ik al toen ik 9 of 10 jaar oud was. Ik fietste alleen naar het museum op Schiphol om daar rond te kijken, maar wat ik zag waren ‘dode’ vliegtuigen, de metertjes stonden altijd op nul. En metertjes die op nul staan zijn als een auto die stilstaat, dat is niet leuk. Metertjes moeten wat doen.

Tijdens een week vakantie in Duitsland mocht ik met kennissen meevliegen in een Cessna. Natuurlijk mocht ik toen even de stuurknuppel vasthouden en een vriendje ook. Toen hij die vasthield dacht ik: hou je vast! Het toestel ging alle kanten op. Maar toen ik de stuurknuppel kreeg, merkte ik dat ik kon controleren of we een meter omhoog of omlaag gingen, en had ik sterk het gevoel dat ik een ‘vliegershandje’ had.

Ook het wereldje eromheen vond ik fascinerend. Het gevoel van vrijheid, van ontdekken, het ontdekken van andere werelddelen, en op de een of andere manier een gevoel van controle.
Wat me ook fascineerde was de historie van de luchtvaart. Ik heb nog steeds een enorme voorkeur voor oude, primitieve vliegtuigjes: van die vliegtuigen met enorme vleugeloppervlakten, rolroeren en richtingroeren, die ze moesten hebben omdat ze zo langzaam gingen.

Dat ik geen piloot ben geworden heeft onder meer te maken met het middelbare schooladvies dat ik kreeg: het was een nogal bescheiden advies, dat een opleiding tot piloot in de weg stond. Mijn desinteresse in huiswerk heeft daarbij beslist een rol gespeeld. Ik had wel interesses en wist daar ook wel iets van, maar ik ben een ontzettende dromer: in m’n hoofd kan ik enorme luchtkastelen bouwen.

Het vliegen is op een gegeven moment buiten beeld geraakt. Er waren andere zaken die de aandacht opeisten. Het vliegen kwam eigenlijk pas weer terug op het moment dat ik mijn studie compositie afgerond had en een vaste baan kreeg – ik werkte bij een internetbedrijf – en de luxe had dat er elke maand een vast bedrag op mijn rekening geschreven werd. Ik realiseerde me dat ik van dat geld een vliegbrevet kon betalen! Toen dat hele beeld weer boven kwam, ging het eigenlijk heel snel, en ben ik me gaan voorbereiden op mijn theorie-examen. Aanvankelijk begon ik met motorvliegen, maar op een gegeven moment ben ik naar Terlet gegaan, het zweefvliegcentrum bij Arnhem, en daar ben ik lessen gaan nemen voor een zogenaamd Touring Motor Glider-examen. Binnen no time raakte ik verslaafd aan zweefvliegen.

Binnen het internetbedrijf waar ik werkte werd er gereorganiseerd en moest ik een keuze maken: ga ik door naar een ander internetbedrijf of ga ik iets doen met mijn studie compositie? Ik probeerde wel een carrière in de muziek op te bouwen maar ik had weinig financiële reserves en misschien ook niet de rust en het zelfvertrouwen. In mijn studententijd werkte ik als kopiïst en zag ik stukken van collegastudenten die wèl een beetje carrière aan het maken waren. Dat was zo’n domper dat ik even iets anders wilde. Ik was altijd op de kunst- en muziekwereld gericht geweest, en vond het toen een verademing om daar eens uit te zijn, en in een bedrijf te gaan werken waar hele leuke, aardige mensen in driedelig grijs rondliepen die ook heel creatief en serieus bezig waren. Ook het besef dat er een directe relatie bestond tussen het werk dat je verzet en het geld dat je binnenbrengt vond ik een aangename ontdekking. Ik vond het heel prettig om in een commerciële omgeving te werken, ik heb ontzettend genoten van die tijd!

Door mijn internetervaring ben ik in contact gekomen met Radio 4, waar een webredacteur werd gezocht, en dat werd ik. Lex Bohlmeijer, de librettist van Charlie Charlie, was toen al weg bij het NCRV-programma A4, maar via een collega daar, aan wie ik vertelde over mijn plannen voor Charlie Charlie, werd ik met hem in contact gebracht.

Ook in mijn andere composities komen elementen van dromen voor. Maar ze gaan niet alleen over dromen, ze gaan ook over realiteit. Mijn stuk Boiler Plate gaat over marketing, over het verkopen van dromen en gebakken lucht. Ik laat er een beroemd topman van een computerbedrijf aan het woord, maar alle product-specifieke informatie is weggelaten, en het enige dat overbleef is als het ware de essentie van verkoop, van marketing. Met zijn uitroepen van “mooi”, “groter”, “beter” en “sneller” bouw ik het stuk op, en daarmee laat ik hem het verhaal vertellen van wat marketing eigenlijk is. Waar het me ook om gaat is te laten zien dat marketing de neiging heeft om alles mooier te maken dan het is, terwijl er altijd dingen zijn die niet kloppen: een gloednieuw kantoorgebouw dat er ogenschijnlijk prachtig uitziet, maar waarbinnen iemand z’n bureau niet opgeruimd heeft, of waarin iets het niet doet. Marketing heeft een reële waarde, maar je moet als consument wel terug leren vertalen naar wat iets werkelijk is.

Naast het gebruik van media zullen ook idealen weer een rol spelen in mijn volgende composities, en de manier waarop de mensen – analoog aan Charlie Charlie – met de mooiste idealen de grootste rampen kunnen veroorzaken. Mooie dromen leiden niet noodzakelijkerwijs tot mooie dingen of tot een groot succes. Dromen zijn nodig om bepaalde zaken te realiseren. Het is natuurlijk niet zo dat je blind moet geloven in het realiseren van een droom. Er gaat wel eens iets mis, maar dromen zijn wel essentieel, en kunnen – hoe je het ook wendt of keert – tot iets moois leiden. De jaren dertig – de tijd van mijn ouders – waren voor een deel een verstikkende tijd maar voor een deel ook een tijd waarin ontzettend groteske dromen opkwamen. Als je kijkt naar nazi-Duitsland werd het leven er voor het gros van de Duitsers aanzienlijk beter op. Dus voor heel veel mensen was er op dat moment geen reden om die nazi-droom te wantrouwen.

Iedereen denkt over zeppelins: o ja, dat zijn die dingen die ontploffen, terwijl dat onze blik achteraf is. Een traject van meer dan 30 jaar is eraan vooraf gegaan waarin men bezig was met het verwezenlijken van de droom om te vliegen met een zeppelin, een traject waarin weliswaar veel ongelukken gebeurd zijn, maar waar het neerstorten van de Hindenburg het eerste in z’n soort was, waarbij dan ook nog eens alle media aanwezig waren, inclusief een radioverslaggever die live verslag uitbracht. De landing op 6 mei 1937 was de eerste aankomst van het seizoen, maar het toestel had al een heel seizoen gevlogen: 18 vluchten naar Rio en diverse naar Lakehurst. Er werd op dat moment een zusterschip van de Hindenburg gebouwd, waar ook personeel aan boord was dat getraind werd op die eerste fatale vlucht van 1937. Daarom zat er ook meer personeel aan boord dan normaal het geval was.

Er zit een sterk documentaire-aspect in Charlie Charlie. Historisch is het documentaire-deel, maar de andere laag in de voorstelling gaat over de verbeelding van de droom. Die krachten moeten in evenwicht blijven. De voorstelling begint met beelden van de crash, de realiteit, maar tegelijkertijd: in de vlammen zit ook de kracht van die droom. Als je hele grote dingen wilt verwezenlijken, kunnen ze ook heel erg fout gaan.

Wat ik het mooiste zou vinden is als het publiek na het zien van Charlie Charlie naar huis gaat met een gevoel van… spijt, in de zin van: jammer dat ze er niet meer zijn, die zeppelins. Ze zijn zijn weliswaar niet praktisch maar het is zo’n mooi beeld om ze te zien vliegen! Het is niet voor niets dat de huidige luchtvaart het heeft overgenomen van zeppelins. Dat heeft een harde, economische reden. Aan de andere kant: dat beeld van die zeppelins, die relatief traag voortvliegende dingen, het gevoel van groot en overweldigend waardoor je meegesleept wordt, het gevoel dat het goed is. Een soort veilig, warm bad…..

Tegelijkertijd is Charlie Charlie een eerbetoon aan de mensen die erin werken, de mensen achter de schermen. Die mensen wisten zo goed waar ze mee bezig waren, die kenden de risico’s zo goed! En de marketing-afdelingen vertaalden die risico’s in termen van: “het toestel heeft een brandblusinstallatie”, maar je weet dat een brandblusinstallatie je niet echt gaat redden als je met een zeppelin neerstort.

Met de muziek probeer ik het verhaal in te kleuren en vorm te geven. Ik vind het belangrijk dat de muziek verwachting wekt, en ik probeer uiteindelijk een sfeer van bitterzoet op te roepen. Hiervoor is mijn belangrijkste middel de harmonie en de inkleuring van de harmonieën. Ik componeer tonale muziek en vind het van groot belang dat mijn muziek toegankelijk en uitnodigend is om naar te luisteren. De overgangen van de harmonieën gaan veelal geleidelijk. Zonder het in de muziek nadrukkelijk te willen aangeven zijn er enkele verwijzingen naar muziek uit het interbellum. Tenslotte zijn er verwijzingen, geen citaten, naar Brother, Can You Spare a Dime, een song waarvan de tekst de economische crisis van de begin jaren dertig behandelt, en Muss ich denn, muss ich den vom Städtele hinaus, een volksliedje dat gespeeld werd bij het vertrek van de luchtschepen uit Friedrichshafen of Frankfurt am Main.

Charlie Charlie geeft mij een ontzettende kick. Ik heb als componist nooit alleen achter m’n bureau willen zitten om iets te maken met het idee: we zien wel wat er van komt. Ik vind het fantastisch om met een team aan zo’n productie te werken. Het is niet alleen míjn geesteskind, want uiteindelijk zijn er bijdragen van zoveel mensen! Ik vind het heel inspirerend, en voor mij vergroot het datgene wat ik zelf maak. Vanaf het moment dat je alleen op je zolderkamer een idee uitwerkt en begint te componeren en te fantaseren verandert er van alles in het proces, maar de kern blijft hetzelfde. Aanvankelijk ging ik bij Charlie Charlie uit van een verhaal over media en mediaverslaggeving, maar dat is er uiteindelijk – mede na kritiek van Bart Visser [regie, video en vormgeving, - TS], die vond dat je niet een stuk over media alleen kunt maken – veel minder expliciet in terecht gekomen. Ik vind de feedback van de mensen met wie je werkt erg belangrijk. Kritiek van anderen heeft invloed en verandert dingen. Als kunstenaar communiceer je niet alleen met het publiek maar ook met de mensen met wie je werkt. Je beïnvloedt elkaar. Je kunt van mening zijn dat je met de compromissen die hieruit ontstaan minder goed werk maakt, maar ik denk dat je het niveau omhoog tilt wanneer je goede mensen om je heen hebt en er een goede chemie ontstaat.

Lees ook:Interview met Rene Ravelli
Lees ook:Moment van je leven: flirten met de dood
Lees ook:Piek-krak en de poëten van de nacht
Lees ook:Piek-krak en de poëten van de nacht
Lees ook:'Componeren is als een recept maken'

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.